In hoofdstuk 4 geeft P.Edelenbos een procesverslag van de iteratieve zoektocht naar unieke en wederzijds uitsluitende kenmerken van beelddenken op basis van de omschrijving van beelddenken van Ensing-Wijn (2006) . Daarvoor worden drie stappen genomen, van globale omschrijving naar kenmerken, van kenmerken naar gedrag en tot slot een afsluitende inhoudelijke beschrijving van beelddenken.In die laatste stap komt hij tot de volgende conclusies.
Pag 17: Drie conclusies zijn getrokken:
1. De aanzet tot een beschrijvingsmodel van Ensing-Wijn bevat kenmerken die inhoudelijk duidelijk herkenbaar zijn voor leerlingen in het vmbo.
2. Het interview toont dat zes kenmerken door de in beelden denkende leerlingen in het vmbo belangrijk, dan wel uiterst belangrijk worden geacht:
A. Denken in gehelen
B. Denken zonder grenzen
C. Meerdimensionaal denken
D. Denken aan oplossingen
E. Ruimte en tijd grenzeloos ervaren
F. Meebewegen in conversatie
3. Het beschrijvingsmodel met zes betekenisvolle kenmerken kan voor het beschrijven, identificeren e meten van het fenotype beelddenken veel betekenen, maar mist nog een aantal onderdelen , zoals ‘Woorden bij beelden plaatsen. Het woord past nog niet automatisch bij een beeld, omdat het beeld voor beelddenkende leerling primair blijft.
Ten behoeve van een onderzoek naar testmethodes had de onderzoeker P. Edelenbos een duidelijke beschrijving van criteria voor het begrip beeldddenken nodig.
Hiervoor heeft hij het model zoals opgesteld door Ensing-Wijn in ‘Alles stroomt...’ als uitgangspunt gebruikt. Een van de redenen hiervoor was dat dit model de reeds bestaande beschrijvingen overstijgt door helderheid en veelomvattendheid.
Hieronder volgen enkele bevindingen uit het onderzoeksverslag waaruit blijkt dat de validiteit van het model in hoge mate vanuit het onderzoek bevestogd is.